Aanpak van overlast

Aanpak van overlast

Het absorptievermogen van de grote steden is het afgelopen jaar van verschillende kanten aan de orde gesteld. Dat leidde tot nieuwe aanzetten voor een actievere aanpak van overlast en onrechtmatige bewoning.


Van gedogen naar bemoeien

De cultuur van gedogen komt de afgelopen tijd ook in corporatiekring steeds meer onder vuur te liggen. Net als in de rest van de samenleving breekt bij corporaties geleidelijk aan het besef door dat er grenzen zijn aan de wijze waarop mensen invulling kunnen geven aan hun zelfontplooiing. De woning werd voor het individu het persoonlijke domein van vrijheid, zelfontplooiing en autonomie. Die teruggetrokkenheid op de woning leidde er ook toe dat steeds minder mensen nog belangstelling leken te hebben voor hun directe omgeving en de gemeenschap in het algemeen. Maar in de stad leeft iedereen ook nog altijd met elkaar samen: op de trap, in het portiek en in de straat. Niet iedereen weet zich op zijn thuisbasis in zijn eentje te redden. Dat uit zich in een toename van het aantal vereenzaamden, verloederden en verwarden. Corporaties worden in hun dagelijks beheer vaak als eersten met deze zaken geconfronteerd. Zij zoeken naar oplossingen en vinden deze steeds vaker in een vorm van actieve ‘bemoeizorg’. Zij gaan erop af en spreken bewoners in toenemende mate direct aan op hun gedragingen. Het afgelopen jaar zagen we kiemen van deze veranderende houding tot ontwikkeling komen op de terreinen van overlastbestrijding, bestrijding van onrechtmatige bewoning en schuldhulpverlening.

terug naar boven

Overlastbestrijding in historisch perspectief
Tot halverwege de jaren zeventig zijn tal van onderzoekers, beleidsambtenaren en maatschappelijk werkers continu in de weer geweest om greep te krijgen op individuen en huishoudens die in hun gedrag asociaal en onaangepast gedrag vertoonden. Amsterdam kent een rijke traditie van – sociaaldemocratisch geïnspireerde – experimenten gericht op herhuisvesting en heropvoeding van asociale gezinnen. Bekende voorbeelden zijn Asterdorp, Zeeburgerdorp, de naoorlogse A-dorpen en de woninginspectrices in dienst van de woningbouwverenigingen. Hoe betuttelend deze aanpak in onze ogen nu ook mag lijken, het was toen een redelijk doelmatige (en progressieve) aanpak om slepende problemen als kinderverwaarlozing, schoolverzuim, alcoholisme, werkloosheid en overlast aan te pakken. Tegenwoordig zouden we zeggen: een weloverwogen en geïntegreerde vorm van bemoeizorg. Deze aanpak ondervond in de loop van de jaren zestig toenemende kritiek als onderdeel van een brede antihiërarchische beweging waarin bestrijding van maatschappelijke ongelijkheid voorop kwam te staan. Het hele onderwerp ‘onmaatschappelijkheid’ en ‘asociaal gedrag’ raakte toen uit de gratie. ‘Onaangepasten’ werden voortaan als ‘kansarmen’ gedefinieerd. Daarmee was niet langer het individu ‘schuldig’, maar zat voortaan ‘de samenleving’ in de beklaagdenbank en dat leidde weer tot heel andere oplossingen. De onaangepasten verdwenen daarmee zelf uiteraard niet van het toneel, ze hadden zich ook niet opeens ‘aangepast’, maar ze bestonden administratief domweg niet meer. Met die verdwijning verdwenen kort daarna ook de meeste woonmaatschappelijk werkers bij de corporaties van het toneel. En bij de gemeente werden de zeer gespecialiseerde afdelingen die zich decennialang met deze problematiek hadden bezig gehouden, opgeheven.


De vraag hoe om te gaan met onaangepaste mensen in een stedelijke omgeving kwam begin jaren negentig opnieuw op. Nu vooral door toedoen van nieuwe overlastgroepen als drugsverslaafden en mensen met een psychische stoornis die als gevolg van de sluiting van grootschalige inrichtingen buiten de stad, zelfstandig in de stad gingen wonen. Met de komst van deze nieuwe groepen verbreedde de overlast zich ook tot het publieke domein. De aanwezigheid van grote groepen onaangepaste mensen in de stad werd een zichtbaar fenomeen. Iedereen kreeg er vroeg of laat ook wel mee te maken. Het manifesteert zich in portieken, straten, openbare gelegenheden, pleinen en parken. Homogene portieken waar bewoners met een zelfde levensstijl en -ritme met elkaar de trap delen zijn geleidelijk aan een uitzondering geworden. Tegelijkertijd werd de stad steeds heterogener qua bevolkingssamenstelling. Op één portiek kan nu een bejaarde in een aangepaste woning wonen naast een migrantengezin met vijf kinderen, een bewoner met schizofrenie die ‘onder woonbegeleiding’ staat en een student met veel wisselende contacten.

terug naar boven

Grenzen stellen
Amsterdam trachtte greep te krijgen op deze ontwikkelingen. Enkele ernstige incidenten leidden tot de oprichting van meldpunten en coördinatiepunten extreme overlast in bijna alle stadsdelen. Daaraan zijn interventieteams van politie en GGGD gekoppeld die na een melding in contact proberen te komen met de overlastveroorzaker. Rond het interventieteam circuleert weer een uitgebreider netwerk van hulpverleners, afkomstig uit de psychiatrie, de alcohol- en drugshulpverlening en de corporaties die op afroep ingeschakeld kunnen worden. Het meldpunt coördineert de zorg die nodig is. Inmiddels is deze aanpak een Amsterdams exportproduct geworden en wordt het in meer Nederlandse steden toegepast. In Amsterdam zijn plannen gemaakt om de zorg rond de meldpunten nog verder uit te breiden zodat uiteindelijk overal ‘wijkgerichte steunpunten’ ontstaan die specialistische gezinszorg, thuiszorg, schuldhulpverlening en dagbesteding kunnen bieden voor de problematische groep van zorgmijders in de stad. Bij deze ontwikkeling zijn enige kanttekeningen te plaatsen. In de eerste plaats valt op dat de aandacht vooral uitgaat naar de belangen en noden van de veroorzakers van overlast. De meldpunten lijken niet in de eerste plaats opgericht om gedupeerde omwonenden te helpen, maar om ontruimingen van overlastveroorzakers te voorkomen. Het doel is om veroorzakers van overlast zo lang mogelijk zelfstandig op de woning te kunnen laten wonen. De autonomie van de overlastveroorzaker staat niet ter discussie. Wij stellen eigenlijk geen eisen aan zijn manier van wonen naast, boven en tussen anderen op de trap en het portiek. Er wordt een enorm beroep gedaan op het absorptie- en tolerantievermogen van de meeste Amsterdamse huurders. Het is duidelijk dat de mensen die zich dagelijks beroepshalve bezig houden met het oplossen van problemen tussen bewoners – wijkagenten, hulpverleners, corporatiemedewerkers – dit probleem op den duur niet meer aankunnen.


Corporaties kunnen hun afdelingen Sociaal Beheer verdubbelen, de gemeente kan zijn interventiedienaren rond de meldpunten verder uitbreiden, maar er is een limiet aan de interventiemaatregelen die een samenleving zich kan veroorloven. Naar aanleiding van een aantal overlastincidenten het afgelopen jaar zijn de Amsterdamse corporaties zich gaan afvragen of het niet eens tijd wordt grenzen te stellen aan de sterk individueel beleefde bewoningspraktijk van vandaag de dag. De aanstelling van een groot aantal huismeesters bij de Amsterdamse corporaties de afgelopen jaren maakt duidelijk dat de corporaties weer normstellend willen optreden. Ze willen het prijsgegeven (semi-)publieke domein terugveroveren. Ook de nog lopende discussie over de mogelijke invoering van een verhuurdersverklaring past in dit beeld. In een verhuurdersverklaring geven huurders aan dat zij in het recente verleden geen overlast hebben veroorzaakt en geen huurschulden hebben gemaakt. Daarmee kan makkelijker voorwaarden worden gesteld aan huurders met een problematisch verleden. Een voorwaarde kan bijvoorbeeld zijn dat een huurder woonbegeleiding of inkomensbeheer moet accepteren. De steeds groter wordende groep van ‘zorgmijders’ in de stad vormen in dit verband een apart probleem. Veel van deze mensen blijken niet zelfstandig te kunnen wonen en de huidige (individueel aangeboden) woonbegeleiding schiet tekort. Het is dan ook niet vreemd dat regelmatig de discussie oplaait dat zij in kleinschalige en besloten woonvormen in (of weer buiten) de stad waarschijnlijk beter af zijn. In elk geval groeit de maatschappelijke acceptatie daarvan.

terug naar boven

 

  • De bij de Federatie aangesloten corporaties bouwen, ontwikkelen, beheren, verhuren en verkopen woningen in alle prijsklassen. De Amsterdamse corporaties beheren gezamenlijk een kleine 200.000 woningen en dat is meer dan de helft van het totaal aantal woningen in Amsterdam. Naast het beheer van deze woningen, hebben de corporaties ook een belangrijke taak als het gaat om het tegengaan van overlast en onrechtmatige bewoning (onderhuur) en het vergroten van de leefbaarheid in de buurt. Daarnaast zijn de corporaties zeer actief als het gaat om stedelijke vernieuwing en het verkopen van huurwoningen om zo het eigen woningbezit te vergroten.

Woningcorporaties hebben naast het bouwen, ontwikkelen, beheren, kopen en verkopen van woningen, een belangrijke taak in het leefbaar houden van de stad en al haar wijken en buurten. Dit betekent dat fors wordt geïnvesteerd in de aanpak van overlast door bewoners, het bestrijden van onrechtmatige verhuur, het vergroten van leefbaarheid in het algemeen en het bevorderen van de combinatie van wonen en zorg.


Dit is een uitgave van de Amsterdamse Federatie van Woningcorporaties © 2010 AFWC
Deze site is ontwikkeld door Sitemix en Zukke Spijkers